1r:1
Londen Oct. 1873
Beste Carolien en Willem,
Hartelijk dank voor je brief van heden morgen,
dat was eene heerlijke verrassing, ik ben blij het jelui zoo goed gaat.
Onze Anna is door haar Engelsch examen gekomen & door dat voor de
handwerken, gij kunt denken hoe zij &
wij allen het heerlijk
vinden.─
1 Pa & Moe hebben
haar voorgesteld om nog tot aanst. April op school te blijven & dan het
Fransch te probeeren; maar als zij het liever niet doet hoeft zij niet.─ Ik zou zoo graag willen dat er hier iets voor haar te vinden was; gij weet wij daar wel eens over gesproken hebben.─
Gij weet reeds dat Theo naar den
Haag komt, ik vind dat eene goede
verandering voor hem, hoewel het hem moeite
1v:2 zal kosten, het mooie gezellige Brussel te verlaten.─
Van je Pa
2 heb ik eenigen
tijd geleden ook een brief gehad & dien reeds beantwoord, gij zult dus waarschijnlijk reeds gehoord hebben dat het mij hier steeds goed blijft gaan & ook een & ander van mijne nieuwe woning hebben vernomen.─
Wat gij van den winter zegt is
quite right, ik denk er ook zoo over; ik
voor mij weet haast niet van welk
jaargetijde ik het meest houd; ik geloof van
allen even veel.─
Het is opmerkelijk dat de oude schilders bijna nooit herfst geschilderd hebben & dat de moderne er zulk eene bizondere voorliefde voor hebben.─
Hierbij een paar kleine photogr. die hoop ik naar je zin zullen zijn.
Hier heeft men bijna geen albums zooals die in Holland, maar zoogenaamde
1v:3 “scrapbooks” waarin men de photographiën zet zooals ik ze in dezen brief doe, (daardoor komt het dat wij de photogr. hier
onopgeplakt hebben)
3
hetgeen voorheeft dat men
allerlei formaten op het
zelfde blad kan schikken zoo als men wil.─
Ik zou je aanraden je een soort schrijfboek met wit papier aan te schaffen & daar dezen in te zetten, om mede te beginnen.─
“Un Baptême” is naar Anker,
4 een Zwitser, die allerlei sujetten geschilderd heeft, allen even fijn gevoeld & intiem.─
“Puritans going to church” is naar Boughton,
5 een
der beste schilders hier; een Amerikaan, hij
houd zeer veel & terecht van Longfellow,
ik ken 3 schilderijen van hem, genomen uit “the Courtship of Miles Standish”.─
6 Door het zien van
die Sch
ijen ben ik
er toe gekomen Miles Standish &
Evangeline
7
nog eens te lezen, hoe het komt weet ik niet, maar ik heb nooit geweten, dat het
zoo mooi
was als ik het nu vind.─
“Le bon frère” is naar van Muyden,
een Zwitsersch schilder,
8 “encore plus de modestie que de talent.”─
9
1r:4 de H
r Post te s’Hage
heeft dit sch
ij.
10
Als ge eens bij ons in den winkel komt vraag dan eens om zijn (v.
Muyden’s) “Réfectoire”
11 te zien.─ Van deze photographie
12 bestaan niet
meer dan 4 of 5 exemplaren daar het negatief gebroken is.─
Laat het eens bij gelegenheid aan Mr. Tersteeg zien.─
13
“La lune de miel” is naar Eugène Feyen,
14 een der weinige schilders die het intieme moderne leven schilderen zooals het werkelijk is, & er geen modeplaatjes van maken. Die phot. “Der Wirthin Töchterlein” ken
ik en vind ik zeer mooi.─
15 Het is
goed dat gij Bouguereau mooi vindt.─ Het is
niet iedereen gegeven het goede &
schoone zoo op te merken & te voelen als
gij doet.─ En nu ga ik eindigen, ik sluit hier nog een schilderij van den herfst in door Michelet.
16
Ik hoop gij dezen zult kunnen lezen, ik heb maar voortgeschreven zonder er aan te denken dat men moet zorgen dat een brief leesbaar is.─ à Dieu, het beste Ulieden toegewenscht; veel groeten in de Poten
17 & als gij verdere vrienden ziet.
Vincent.
2r:5
Je vois d’ici une dame,
18 je la vois
marcher pensive dans un jardin peu étendu, & défleuri de bonne heure, mais abrité, comme on en voit derrière nos falaises en France, ou les dunes de la Hollande. Les arbustes exotiques sont déjà rentrés dans la serre. Les feuilles tombées dévoilent quelques statues.─ Luxe d’art qui contraste un peu avec la
très-simple toilette de la dame, modeste,
grave, où la soie noire (ou grise)
s’égaye à peine d’un simple ruban lilas.─
Parée de rien, on peut le dire, elle n’en est pas moins élégante.─ Elégante pour son mari & simple au profit des pauvres.─ Elle atteint le bout de l’allée, se retourne.─ Nous pouvons la voir. Mais ne l’ai je pas vue déja aux musées d’Amsterdam ou de la Haye? Elle me rappelle une dame de Philippe de Champagne (NB. au Louvre) qui m’était
2v:6 entrée dans le coeur, si candide, si honnête, suffissament intelligente,
simple pourtant, sans finesse pour se démêler des ruses du monde. Cette femme m’est restée trente années, me revenant obstinément, m’inquiétant, me faisant
dire “Mais comment se nommait-elle? Que
lui est-il arrivé? a-t-elle eu un peu de
bonheur? Et comment s’est-elle tirée de la
vie?” Celle-ci me rappelle encore un autre portrait, un van Dyck, une pauvre dame, fort blanche, maladive. Le pâle satin de sa peau d’incomparable finesse, orne un corps souffrant, qui mollit.─ Dans ses beaux yeux flotte une grande mélancolie, celle de l’âge ─ des chagrins de coeur ─ du climat aussi peut-être. C’est le regard vague, lointain, d’une personne qui a eu habituellement sous les yeux le vaste Océan du Nord, la grande mer grise, déserte, sauf le vol du goëland.─
Jules Michelet
Les aspirations de l’automne.
19