1r:1
1Isleworth 26 Aug. 1876

2Waarde Theo,
3Hierbij een woordje voor den Heer Tersteeg,
4de laatste keer ik hem schreef was ik nog in
5Parijs en het was tijd weer eens te schrijven; wij
6hebben elkander sedert ik den Haag verliet
7toch altijd in het oog gehouden.─1
8Het is een prachtigen morgen/ de zon schijnt door
9de groote accaciaboomen op de speelplaats en
10glinstert op de daken en vensters die men achter
11den tuin ziet, er zijn reeds herfstdraden
12in den tuin en het is frisch s’morgens en de
13jongens draven op en neer om zich warm te loopen.
14Van avond, in hunne slaapkamer/ hoop ik hen
15de geschiedenis van Johannes en Theagenes2 te
16vertellen. Ik vertel hen s’avonds nog al eens/
17b.v. Le Conscrit van Conscience3 en Madame Therèse
18van Erckmann Chatrian4 en Oudejaar van Jean
19Paul,5 dat ik U hierbij stuur, en de sprookjes van
20Andersen/ “de geschiedenis eener Moeder, de roode
21'schoentjes, the little matchseller”,6 King Robert
22of Sicily van Longfellow7 enz.─ Soms ook een
23en ander uit de Hollandsche geschiedenis.
24Iederen dag doe ik Bijbelsche geschiedenis met
25hen, en dat is iets beters dan een genot.─
26Geen dag meer zonder tot God te bidden en  1v:2
27zonder te spreken van God, niet bidden alleen
28maar ook er voor uit komen, niet spreken alleen
29maar ook vasthouden het bidden/ Vader ik bid
30U niet dat Gij mij uit de wereld wegneemt maar
31dat Gij mij bewaart voor den booze_8 “Verbind Gij, o
32Heer ons innig aan elkaar en laat de Liefde
33'tot U dien band meer en meer versterken”.─9
34Nu is dat spreken van Hem nog niet veel maar
35met Gods hulp en zegen zal dat beter worden.
36Ik heb vrijmoedigheid10 dezer dagen maar daar
37is grooter vrijmoedigheid dan deze en grooter Liefde
38en grooter kracht tot daden en tot wat goed is/ een grooter
39zich overgeven aan een sterker drang, een beter
40en inniger zoeken naar God en naar
41het doen van Zijn wil met een eenvoudiger/ beter
42en nederiger hart, en daarop hoop ik.─11
43Heb ik U ooit verteld van dat schilderij van Boughton/
44'“The pilgrims progress”?12
45Het is tegen den avond. Een mulle zandweg leidt over
46de heuvels naar een berg waarop men de heilige stad
47ziet liggen/ verlicht door de zon die rood achter de
48grijze avondwolken ondergaat.
49Op den weg een pelgrim die naar die stad heenwil,
50hij is reeds moede en vraagt aan een vrouw in
51het zwart die aan den weg staat en wier naam
52is “droevig maar altijd blijde”/13

53“Does the road go uphill then all the way?
54`Yes to the very end´
55And will the journey take all day long?
56'`From morn till night my friend.´”14

 1v:3
57Het landschap waardoor de weg gaat is zoo schoon/
58bruine heidegrond met hier en daar berken en mast-
59boomen en plekken geel zand, en in het verschiet
60tegen de zon in bergen.─
61Het is eigentlijk geen schilderij maar eene
62inspiratie.─
63Ik schrijf U tusschen de lessen in; vandaag ben
64ik er even uitgebroken en heb tusschen de heggen
65gewandeld met “Johannes en Theagenes” om
66het in te studeeren, wat zou ik willen gij de
67speelplaats nu eens zaagt en den tuin er
68achter, in de schemering, binnen de school
69flikkert het gas en hoort men het gezellige
70geluid van de jongens die hunne lessen leeren/
71van tijd tot tijd begint een van hen een
72gedeelte van de wijs van een of ander gezang te neuriën,
73en er is iets in mij van het “oud vertrouwen”_15
74wat ik zou willen zijn ben ik nog lang niet
75maar met Gods hulp zal het lukken, wat
76wil ik – – – Aan Christus verbonden zijn met
77onverbreekbare banden en die banden te voelen.
78Droevig zijn maar altijd blijde.16 Te leven in en
79voor Christus, een arme zijn in Zijn koninkrijk,17
80doorzuurd met den zuurdeessem/18 bezield met Zijn
81Geest, gedrongen door Zijne Liefde,19 rustende
82in den Vader met die rust waarvan ik U sprak
83in mijn vorigen brief. Te worden een die in niets kan
84rusten dan in Hem/ wien nevens Hem niets meer lust op
85aarde/20 een die leeft in de Liefde tot God en tot Christus
86in wien wij innig aan elkander verbonden zijn.
 1r:4
87Gal. IV:6. Overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den
88Geest Zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept:
89Abba, Vader!─

90Al ware het dat ik de talen der menschen en der Engelen
91sprak, en de Liefde niet had, zoo ware ik een klinkend
92metaal of luidende schel geworden.─
93En al ware het dat ik de gave der profetie had en wist al de
94verborgenheden en al de wetenschap, en al ware het dat
95ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de Liefde
96niet had/ zoo ware ik niets. En al ware het dat ik al
97mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde
98en al ware het dat ik mijn ligchaam overgaf opdat ik
99verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zoo zoude
100het mij geene nuttigheid geven.
101De Liefde is lang moedig/ zij is zacht moedig/ zij is
102wee moedig/ zij heeft wee en moed, de liefde is goeder-
103tieren, de Liefde is niet afgunstig, de Liefde handelt
104niet ligtvaardig, zij is niet opgeblazen. Zij handelt
105niet ongeschikt, zij zoekt zich zelve niet, zij wordt niet
106verbitterd, zij denkt geen kwaad; zij verblijdt zich niet
107in de ongeregtigheid maar zij verblijdt zich in de waarheid;
108Zij bedekt alle dingen, Zij gelooft alle dingen, Zij hoopt alle
109dingen/ zij verdraagt alle dingen. De Liefde vergaat
110nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet
111gedaan worden; hetzij talen/ zij zullen ophouden; hetzij
112kennis, zij zal te niet gedaan worden. Want wij kennen
113ten deele en wij profeteeren ten deele; Doch wanneer het vol-
114'maakte zal gekomen zijn dan zal hetgeen ten deele
115is, te niet gedaan worden. Toen ik een kind was, sprak ik
116als een kind, was ik gezind als een kind, overleide ik als
117een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo
118heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was. Want
119nu zien wij door eenen spiegel in eene duistere rede,
120maar alsdan zullen wij zien aangezigt tot aangezigt;
121nu ken ik ten deele maar alsdan zal ik kennen,
122gelijk ook ik gekend ben. Nu dan blijft geloof/ hoop en
123Liefde, maar de meeste van deze is de Liefde.─21

124Ik weet aan Wien ik mij vertrouwe
125Al wisselen ook dag en nacht
126Ik ken de rots waarop ik bouwe
127Hij feilt niet die mijn heil verwacht
128Eens aan den avond van mijn leven
129Breng ik van zorg en strijden moe
130Voor elken dag mij hier gegeven
131U hooger, reiner loflied toe.─22

132Is ook Uw avond heden goed,
133zoo zij het, dank voor Uw brief-
134kaart_ Mr. Jones heeft nog niet
135beslist wat hij doen zal.23 Groet
136allen die naar mij mogten
137vragen/ in elk geval Borchers als
138gij hem of iemand van zijne familie
139ziet. Een handdruk in gedachten
140van

140*Uw zoo liefh. broer
141Vincent

 2r:5
142Nog een woordje. Daareven heb ik Johannes en
143Theagenes verteld/ eerst in de kamer waar de
144meeste jongens slapen en toen in de bovenkamer
145waar er nog 4 zijn, in den donker, maar toen
146ik gedaan had waren zij zoo ongemerkt allen ingeslapen_
147’t Is geen wonder want zij hebben heel wat gedraafd
148vandaag in de speelplaats en dan, ik spreek
149niet zonder moeite en hoe dat in Engelsche
150ooren klinkt weet ik niet_ Maar al doende
151zal ik leeren. Ik meen dat de Heer mij heeft
152aangenomen,24 zoo als ik ben met al mijne
153gebreken, hoewel daar nog inniger aan-
154neming is waarop ik hoop.─
154*Het is reeds
155laat. Morgen avond moet ik de zelfde
156geschiedenis vertellen aan den ondermeester
157en twee oudste jongens die later opblijven_
158Die drie en ik eten s’avons ons brood
159zamen. Toen ik aan het vertellen  2v:6
160was hoorde ik een van hen beneden op
161de piano spelen “Tell me the old old story”.25
162Het is reeds laat en eigentlijk mag ik zoo
163laat niet opblijven, naar de regels van de school, ik rookte mijn pijp
164op de speelplaats daareven/ het was zoo
165mooi buiten daar en zelfs op het kleine
166binnenplaatsje waar een groot gedeelte
167van het jaar het varken is, dat is er echter
168op het oogenblik niet. Het is wel prettig
169s’avonds zoo eens overal rond te gaan
170van boven naar beneden. En nu goeden
171nacht en slaap gerust en als Gij s’avonds
172bidt denk dan ook aan mij gelijk ik aan
173U. Goeden nacht jongen/ een handdruk
174in gedachten van

174*Uw zoo liefh. broer
175Vincent

 3r:7
176Ik verheug mij reeds op kersmis, twee
177jaar geleden deden wij s’avonds die wande-
178ling in de sneeuw, weet gij dat nog, toen
179wij de maan zagen op komen boven Mariënhof.26
180Den avond toen ik, dien kerstijd, van den Bosch27
181naar Helvoirt reed in een open karretje herin-
182ner ik mij nog zoo goed, het was geducht
183koud en glad op den weg, wat zag den Bosch
184er mooi uit, de marktplaats en de straten met
185sneeuw en de huizen donker met sneeuw op de
186daken, Brabant is toch Brabant, en ’t Vaderland
187is toch het vaderland, en landen der vreemdeling-
188schappen zijn landen der vreemdelingschappen_28
189En hoe vriendelijk zag Helvoirt en de lichten
190in het dorp en den toren tusschen de besneeuwde
191'populieren er dien avond uit, in de verte van
192den weg naar ’s Bosch af gezien.─ Maar
193’t is de liefde die ’t alles zoo groote schoonheid
194en leven geeft.─ En herinnert Gij u dien tocht naar
195St Michiels Gestel29 nog?─

 3v:8
196De vrijgekochten des Heeren zullen wederkomen en
197tot Zion wederkeeren met groot gejuich/ en eeuwige
198blijdschap zal op hun hoofd wezen, vrolijkheid en
199blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en
200zuchten zullen wegvluchten.30

201Daar is eene stem gehoord in Rama, eene klagt, een
202zeer bitter geween; Rachel weent over Hare kinderen;
203zij weigert zich te laten troosten over Hare kinderen,
204omdat zij niet zijn.31
205Zoo zegt de Heer: Bedwing uwe stem van geween,
206en Uwe oogen van tranen, want er is loon voor Uwen
207arbeid, spreekt de Heer want zij zullen uit het vreemde
208land wederkomen.─32

209Versterkt de slappe handen en maakt de struikelende
210knieën vast_33

211Want mijne gedachten zijn niet uwe gedachten en
212mijne wegen zijn niet uwe wegen/ spreekt de Heer; want gelijk
213de hemelen hooger zijn dan de aarde alzoo zijn mijne
214wegen hooger dan uwe wegen en mijne gedachten
215hooger dan uwe gedachten.─34
 4r:9
226Toen Lies met Kersmis thuis kwam
227hadden wij zoo’n aardige ontmoeting. Zij en
228Albertien35 kwamen in het rijtuig van oom Vincent
229van Breda.─36 Pa/ Cor en ik gingen den weg op hen
230te gemoet, en toen wij het rijtuig in de verte
231zagen liep ik vooruit. Het was in de schemering
232en donker in het rijtuig. Door het raam zag
233'men den weg met de rij boomen aan weerskanten
234en de velden_ Aan het einde van den weg de
235kerk donker tegen de lucht uit. Achter de kerk
236de groote donkere avondwolken/ donker maar met zilveren
237randen.─ En het was mij zoo onverwacht goed
238het meiske weer te zien/ het was een veel grooter
239vreugde dan ik gedacht had.
240Anna zal nu weer te Welwyn terug zijn,37 als zij
241Welwyn verlaat zal zij voelen hoe zij het heeft lief-
242gehad. Gij weet hoe zij s’winters het eerst op was
243en het vuur aanmaakte, zij is eene zegening voor dat
244huis geweest. Haar kamertje is zoo mooi met de klimop  4v:10
245om het raam en het gezicht op den tuin en de
246groote kastanjeboomen waar eene menigte zwaluwen
247s’zomers om heenvliegen als de zon achter die boomen
248ondergaat. En de roeken hebben er hunne nesten.
249Boven Haar bed hing de Mater Dolorosa van
250Delaroche.38
251Hebt gij misschien nog die bladzijde uit Michelet die begint
252“je vois d’ici une dame”39 Zoo ja schrijf die voor mij over als
253Gij wilt, ik heb die noodig maar heb het boek niet meer_

254Een stroom van ongeregtigheden,
255Heeft de overhand op mij
256'o, Mijn weerspannig overtreden
257'Verzoent en zuivert Gij!
258Welzalig dien Gij hebt verkoren
259Dien Ge uit al ’t aardsch gedruisch
260Doet naad’ren en Uw heilstem hooren
261Ja wonen in Uw Huis.─40

262Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven
263Die van de straf voor eeuwig is ontheven
264'Wiens wanbedrijf waarmee hij was bevlekt
265Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt
266Welzalig is de mensch wien ’t mag gebeuren
267Dat God naar regt hem niet wil schuldig keuren
268Maar die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed
269Geen snood bedrog maar blanke opregtheid voed.41

270Hoe zullen deze dingen geschieden?42

271Wie zal ons den steen van het graf wentelen?43

 5r:11
272Ik zal voor uw aangezigt heengaan, en Ik zal kromme
273wegen regt maken; de koperen deuren zal Ik verbreken,
274en de ijzeren grendels zal Ik in stukken slaan_44

275Ik ben de Eerste en de Laatste_45

276Kan ook eene vrouw haar zuigeling vergeten/ dat zij
277zich niet ontferme over den zoon haars schoots?
278Ofschoon deze vergate zoo zal ik U toch niet vergeten_46

279Hoort dit nu Gij bedrukten! en gij dronkenen
280maar niet van wijn. Zie Ik neem den beker
281der zwijmeling van uwe hand, den droesem
282van den beker mijner grimmigheid, gij zult
283dien voortaan niet meer drinken_47

284Want bergen zullen wijken, en heuvelen wan-
285kelen, maar mijne goedertierenheid zal van
286u niet wijken, en het vreeverbond zal niet wan-
287kelen, zegt de Heer/ de Ontfermer.─48
288De zon zal U niet meer wezen tot een licht des daags
289en tot eenen glans zal u de maan niet lichten;
290maar de Heer zal u wezen tot een eeuwig licht
 5v:12
291en uw God tot uwe heerlijkheid. Uwe zon
292zal niet meer ondergaan, en uwe maan
293zal haar licht niet intrekken; want de Heer
294zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen
295uwer treuring zullen een einde nemen_49

296Als een dien zijne Moeder vertroost, alzoo zal
297ik u troosten/50 spreekt de Heer. Van nu af zult
298gij tot mij roepen: Mijn Vader/ Gij zijt mijn
299leidsman van mijne jeugd af.─51 Gij zult tot mij
300roepen/ Mijn Vader! en gij zult van achter
301mij niet afkeeren_52

302Genees mij, Heer, zoo zal ik genezen worden,
303behoud mij, zoo zal ik behouden worden_53 Bekeer mij zoo
303azal ik bekeerd zijn.─54

304Want Ik ben met U, spreekt de Heer, om U te ver-
305lossen,55 al hebben allen die u lief hadden u vergeten_56

306Ik zal u gezondheid doen rijzen en u van uwe
307plagen genezen.57

308De Heer is mij verschenen van verre tijden! Ja Ik heb
309u liefgehad met eene eeuwige Liefde!58 Als een dien zijne
310Moeder vertroost zal ik U troosten/59 spreekt de Heer. Daar is
311een vriend die zich vaster klemt dan een broeder.60

216 »Daar is geen veiliger en beter weg om door het leven te komen dan
217Liefde/ bovenal voor onzen Vader, in dien naam gaan wij vooruit
218van den eenen dag op den anderen. Maar ook voor anderen kunnen
219wij liefde hebben. Hoe dikwijls heeft de nagedachtenis van
220een die reeds gegaan is, naar het huis des Vaders waar vele woningen
221zijn,61 mij verwarmd en mijn hart doen gloeijen van Liefde in de Londensche
222straten en op mijne avondwandelingen in die koolvelden buiten de stad. En
223nog komt de gedachte aan Hem weer boven en de Liefde voor Hem/ zoo dikwijls ik weer in de
224Londensche
225straten wandel_


21 matchseller” < matchseller
33 tot < to
33 versterken”.─ < versterken.─
44 progress”? < progress?
56 friend.´” < friend”.”
114 hetgeen < dat hetgeen
191 avond uit, < avond
233 weerskanten < weeskanten
256 o, Mijn < o’ Mijn
257 Verzoent en zuivert < Verzoen en zuiver
264 bevlekt < bedekt Corresponding to the original text.
216-225 Insertion uncertain; this fragment was written in the top margin of p. 4 (Toen [...] klimop) and could be a continuation of l. 193: ‘Maar ’t is de liefde die ’t alles zoo groote schoonheid en leven geeft’.
top